Het weer

Nadat de polderwachter met de dikke van Dale onder de arm alle natuur in Nederland heeft geschaard onder de noemer ‘cultureel groen’ blijft er weinig wild, woest en ongewijzigd meer over. Behalve het weer dan. Altijd aanleiding voor een gesprek. Soms in positieve zin, zoals op die eerste dagen die aan de lente doen denken, maar al snel wordt er geklaagd over dat het niet is zoals het zou moeten zijn: te droog, te warm of de wind uit de verkeerde hoek. Cloud-busters, windturbines en regendansen ten spijt hebben we dit deel van de natuur nog steeds niet onder controle. Iedere avond proberen de weermannen en -vrouwen met hun computermodellen een voorspelling te doen voor morgen. Zodat we ons vast kunnen voorbereiden op wat komen gaat. En dat valt niet mee want maar al te vaak produceren ze een wolkje met een zonnetje er bovenuit en een paar druppels er onder. Maar dat is vlees noch vis! ‘t Kan vriezen of ‘t kan dooien, wordt het regen of zon? ‘Hier en daar een bui’ klinkt wel heel precies: hier en daar, maar ik hoor nooit de exacte plaats en tijd, terwijl je daar pas echt wat aan hebt als je boodschappen moet doen of als je haar net netjes in de krul zit. Maar toch is dat waar we het over het algemeen mee zullen moeten doen, want juist dat zijn de typisch Hollandse luchten: van die mooie witte bloemkolen op een blauwe achtergrond waar je liggend op je rug tegen de dijk van die fantastische figuren in kan fantaseren.

De polderwachter heeft in de afgelopen acht jaar een paar honderd wandelingen gemaakt. Daarvan is er één niet doorgegaan vanwege ‘slecht weer’ en twee zijn er een weekje verzet. Maar bij alle wandelingen was het commentaar voor- of achteraf: ‘we hebben het getroffen met het weer’. Soms omdat het zonnetje echt lekker had geschenen, maar vaak ook omdat de enorme regenbuien die de computers hadden voorspeld in de fantasie van de mensen vele malen natter waren geweest dan de druppels die werkelijk waren gevallen. Zo blijkt maar weer: ware natuur boezemt ons nog altijd angst in.??Het weer is een van de weinige dingen waar wij als mens nog geen zeggenschap over hebben. En daarom laten we ons er iedere avond weer bang voor maken door Piet Paulusma en consorten. Met ‘hier en daar een bui’ is het woord al gevallen. En al blijven de druppels uit, in gedachten regent het.

Negenenegentig van de honderd keer is de openingszin van mijn gasten: “Nou, we treffen het met het weer!”. Want staan we dan eenmaal buiten aan het begin van de wandeling dan vallen de meeste buien toch dáár in plaats van hier. Dit is dus geen weerbericht. Ik zou niet durven. Ik snap niks van computer-weer-modellen, check alleen soms buienradar.nl. Ik zou u kunnen waarschuwen voor de schaapscheerderskou die volgens de volkswijsheid ergens aan het eind van de maand juni langskomt. Maar net als alle weersvoorspellingen is dat nattevingerwerk, een blik in een glazen bol. Ik zou het wel leuk vinden als ze daar voor komende maand eens nieuw weer in zouden zien. Iets wat we nog nooit gehad hebben. Warme poedersneeuw met aardbeiensmaak, noordwester-zweefwind met een drijfkracht van 60 kilo of droge muziekregen die het ritme van je lievelingsmuziek op de paraplu tikt. Dat laatste moet lukken…

Wat nu?

De gemeente Stichtse Vecht heeft drie fantastisch mooie gemeentehuizen, drie historische buitenplaatsen aan de Vecht. Maar is dat in deze tijd van crisis alom niet iets te veel van het goede? Kunnen we ons ambtenarenapparaat niet onderbrengen in een mooi kantoorpand aan de A2 en Goudestein, Boom en Bosch en Beek en Hof verkopen?
Sommigen vinden dat dat niet past: een gemeente met een Vecht moet zich ook profileren aan die prachtige rivier. Maar is dat wel zo? De meeste mensen van buiten onze gemeente passeren ons met grote snelheid over de A2 zonder te weten welk moois er achter de geluidswal te vinden is. Dus is dat niet een veel betere plek om je te laten zien als gemeente? Dat deden de vroegere bezitters van de buitenplaatsen ook: in hun huizen in Amsterdam hingen mooie behangselschilderijen aan de muur om de gasten te laten zien over welk moois zij beschikten aan de Vecht. Dat moeten wij nu ook doen. Dan kunnen we namelijk met de drie buitenplaatsen de markt op.
“Maar”, vraagt u dan terecht, “wat gaat daar dan mee gebeuren”? Dat is nou precies waar de polderwachter het met u over wil hebben: Wat zou volgens u een mooie herbestemming zijn voor Goudestein, Boom en Bosch en Beek en Hof? Tijdens de open monumentendag van 10 september 2011 stelde ik het publiek de vraag WAT NU? Men kon zich laten inspireren door de opengestelde panden in het thema ‘nieuw gebruik oud gebouw’ en daarna bij mij een kleurplaat verfraaien met een goed idee. En ik had beloofd om bij de afsluiting het beste plan bekend te maken.

Maar er kwam wat tussen. Ik had op tv een interview gezien met de gebroeders Verlinde, twee professoren in de natuurkunde. Een van de twee, Erik, had zijn verblijf in een Frans hotel noodgedwongen moeten verlengen omdat zijn tas gestolen was. Tijdens deze lege dagen kreeg hij een idee over hoe de zwaartekracht verklaard kan worden. Sommigen noemen zijn idee de volgende stap na Einstein en Newton. Het idee is dat zwaartekracht niet in de twee objecten, bijvoorbeeld een steen en de aarde zit, maar in de tussenliggende ruimte. De verandering aan de informatie die zich in die ruimte bevindt ligt ten grondslag aan de zwaartekracht.
Ik had het kunnen weten. De polderwachter is namelijk ook een man van de tussenruimte, van de leegte tussen twee dorpen. Ik weet ook dat die leegte vol zit met informatie, dat daar de fundamentele dingen gebeuren.

En zo is het eigenlijk ook met de ruimte tussen de vraag en het antwoord. Die tijd is het spannendst. Daar moet namelijk de fantasie aan de slag, daar kan alles. Dus ik heb nog geen antwoord gegeven op de vraag WAT NU? Ik wil de tijd tot het antwoord nog even rekken. Mocht u nog een goed idee hebben waarmee we de lege gemeentehuizen kunnen vullen, dan kunt u dat laten weten via watnupost@gmail.com Wordt vervolgd…

Mooie regenjas

Ik ben een optimist in hart en nieren met de bijbehorende zonnige kijk op de toekomst. Laatst mocht ik verhaaltjes komen vertellen bij de opening van een waterberging in de Braakpolder in Noord Holland. Op de fiets daarheen bedacht ik dat zo’n waterberging eigenlijk onzin is. Het had in de tijd daarvoor behoorlijk veel en hard geregend. ’t Was nat geweest, maar de slootjes konden dat best hebben. Dus extra ruimte maken om dat water op te vangen hoeft helemaal niet.
Ik was die ochtend van huis vertrokken in een lekker zonnetje en met de wind in de rug. Meer dan een t-shirt was dus niet nodig. Totdat ik het wolkendek dikker zag worden. De temperatuur was nog altijd aangenaam, maar ergens in mijn achterhoofd zei een stemmetje dat het misschien wel eens zou kunnen gaan regenen. Onzin, dacht mijn voorhoofd, maar het donkere gedachtenwolkje bleef hangen.
Als ik last heb van donkere wolkjes wil een borrel nog wel eens helpen om de lucht te klaren. Dus ik opende mijn tas om er een flesje water uit te halen. Toen zag ik tot mijn grote vreugde dat mijn vrouw, die wel wat verder vooruit had gedacht, een regenjas in de tas had gestopt. Natuurlijk volkomen overbodig, maar toch fijn om achter de hand te hebben. Het donkere wolkje verdween als sneeuw voor de zon.
Toen bedacht ik mij dat dat eigenlijk ook gold voor de waterberging: volkomen overbodig, maar wel fijn om te weten dat ‘ie er is. Mocht de toekomst bij tijd en wijle wat mindere zonnig zijn, dan hebben we een overloopbakje om het water in op te vangen.
Dat regenpak van mij is trouwens ook niet mooi. Het is zo’n saai blauwe regencape die je ergens onder in de tas stopt en daar het liefst zo lang mogelijk laat zitten. Het is natuurlijk veel beter om een mooie regenjas te hebben, met bloemetjes bijvoorbeeld. Die kan je dan aan de kapstok hangen, niet voor de regen, maar gewoon ter decoratie, leuk om naar te kijken. Net als de waterberging in de Braakpolder. Dat is ook geen saaie grijze bak, maar een aantal glooiende kuilen met waterplanten, rietkragen en het bijbehorend vogelgezang. Dus mocht in de toekomst blijken dat hij inderdaad helemaal niet nodig is voor de waterberging, dan is ‘ie in ieder geval wel heel mooi om naar te kijken.

Happy tweet

Ik heb het gevoel dat ik gevolgd word. Sterker nog: ik weet het. Met al die sociale media van vandaag weten steeds meer mensen van steeds meer andere mensen waar ze zijn en wat ze doen. Vaak is dat machtig oninteressant. Ik heb op mijn mobiele telefoon een icoontje van een onschuldig blauw vogeltje. Als ik achter dat icoontje kijk, zie ik dat ik ruim tweehonderd volgers heb. Die vertel ik bij tijd en wijle waar de polderwachter is en wat hij doet. En dat is dan weer machtig interessant. Ik schrijf meestal happy tweets. En dan heb ik nog één zin nodig als bruggetje naar Happy Feet, voilà.
Kent u Happy Feet nog? Die pinguin die wel eens wat meer van de wereld wilde zien en het koude zuiden wilde verruilen voor het warmere noorden? (u begrijpt: dit verhaal speelt zich af op het zuidelijk halfrond). Het ging niet goed met Happy Feet, hij kreeg het te warm op het Nieuw Zeelandse strand. Pinguïns gaan dan sneeuw eten om af te koelen alleen bleek de Nieuw Zeelandse sneeuw zand. Toen heette Happy Feet overigens nog niet zo, toen was het meer Sad Hope, een zielig hoopje. En dan is het mens-eigen om te helpen, echte natuur willen we immers alleen als het mooi is.
Zodra natuur jeukt, prikt, stinkt of dood gaat, dan grijpen we in. Dus Happy Feet werd gevangen, het zand werd operatief verwijderd en het dier werd op transport gezet terug naar het koele zuiden. Natuurlijk wel voorzien van een dure zender zodat wij in de gaten konden houden waar al dat geïnvesteerde geld naar toe zwom. Ieder uur een tweet van Happy Feet. Helaas was het contact snel verbroken, ik denk dat Happy Feet een vrij exclusief hapje is geworden voor een langs zwemmende rover: Happy Meal.
En laat mij nou precies hetzelfde zijn overkomen. Ik belandde vorige week na een mooie fietstocht langs de IJsselmeerkust uiteindelijk in Amsterdam. Een polderwachter in de stad dat is op zich al raar en toen ik een gesprek begon met een boom (ik dacht dat ik werd gevolgd door een soldaat in een camoufagepak) werd ik een busje in gesleurd. Mijn klompen werden binnenste buiten gekeerd waarbij de opgedroogde koeienvlaai proefondervindelijk in een sigaret werd gerold (met teleurstellend resultaat), mijn polsstok werd op geheime brieven onderzocht en ik kreeg mijn mobieltje pas na een grondige inspectie weer terug. Uiteindelijk werd ik op de trein naar Maarssen gezet en eindigde mijn avontuur thuis aan de keukentafel met een door mijn vrouw bereid dolfijn en pinguin-vriendelijk gevangen happy meal. Toen ik ’s avonds op mijn mobiele telefoon keek, zag ik achter het blauwe vogeltje dat ik er weer twintig extra volgers bij had @polderwachter…