De landschapsschilder

U kent ze wel: Jacob van Ruysdael, Meyndert Hobbema en Jacob Maris: willekeurige meesters uit onze geschiedenis van de landschapschilderkunst. Ik vergeet natuurlijk Albert Cuyp, Rembrand, Jan Hendrik Weissenbruch, Mondriaan en nog vele anderen. Stuk voor stuk lieten zij ons het Hollandse landschap zien, met de nadruk op zien.

Want we kennen het allemaal: weilanden, koeien, boerderijen en water, het is onze dagelijkse omgeving. Maar ‘zien’ vergt iets meer dan alleen de ogen er langs laten glijden, iets ‘zien’ betekent ook dat je er even bij stilstaat, er aandacht aan schenkt, er over nadenkt. En dat gaat nou eenmaal het best als je er de tijd voor neemt. Dus op een vrije zondagmiddag op de fiets de polder in! Daar ziet u zich gesteld voor het volgende probleem: zo op de fiets in de vrije natuur is er wel erg veel landschap om u heen. Het zou handig zijn als er iemand was die dat weidse uitzicht voor u van een kadertje zou voorzien, er een keuze uit zou maken. Dat kan! Bijvoorbeeld met een bezoek aan een museum. Daar hebben de schilders voor u een keuze gemaakt uit ons Hollandse landschap. Van tevoren staat al vast dat u geen haast heeft, niet door moet lopen om op tijd op een afspraak te zijn, maar u heeft de tijd! Alle tijd om het wipmolentje in Boskoop te zien. Op het schilderij van Weissenbruch staat hij in het licht van de zonsondergang. Een man op een paard en een hondje op het jaagpad en op het water een man die met een vaarboom (ook te gebruiken als polsstok) een platte schuit voortduwt. Het water in de vaart staat hoog, er drijven wat waterplanten en overal is natuur… Bijkomend voordeel van zo’n museumbezoek is dat u met het grootste gemak een kijkje kunt nemen in het verleden. Veel van de landschappen die u in het museum aantreft zijn van ‘oude’ meesters. Maar wat schildert een hedendaags landschapschilder? Een realist schildert snelwegen, nieuwbouwwijken en vliegtuigstrepen in de lucht. Het oude molentje staat op een industrieterrein en ‘de natuur’ bestaat uit een vies bosje waar je de hond uit kan laten. Maar natuurlijk ben je als schilder, als kunstenaar, vrij om dingen wel of niet te schilderen. Je kan je uitzicht zo inkaderen dat de fabrieksschoorsteen net buiten het beeld valt en weinigen zullen het je kwalijk nemen als je jouw koe niet voorziet van een geel oormerk. Maar we moeten ook weer niet overdrijven, ook de oude meesters zorgden er voor dat er in hun landschappen mensen liepen, treinen reden en molens draaiden. Want eigenlijk hoort de mens ook in de natuur thuis. Vroeger woonden we er in en aten we het, nu recreëren wij er en poept de hond er in. Vroeger schilderde een schilder met verf, op een doek. Soms werd het doek vervangen door een paneel, de verf

door een potlood en soms werden zelfs de kwasten vervangen door een camera. Maar welk materiaal of medium de schilder ook gebruikte, het doel bleef de kijker iets te laten ‘zien’. In 2003 verzon ik de ‘polderwachter’; een wandelend kunstwerk in ons landschap. Hij schildert voor u een modern landschapsportret; niet met verf op een doek, maar met woorden in uw hoofd. Tijdens een wandeling door de polder voelt, ruikt en ziet u een levend schilderij. Met verhalen bij alles wat we tegenkomen wordt uw ‘beeld’ van de polder opnieuw gekleurd. De verhalen over gevaarlijk landschap (poema’s, wilde katten en muskusratten), eetbaar landschap (koeien, kruiden en waterkonijnen) en gecultiveerd landschap (veenplassen, weilanden en ‘nieuwe natuur’) zetten uw alledaagse omgeving in een ander licht, in een ander perspectief. En met het bijgeleverde kijkkader kunt u zelfs in de weidse polder uw gezichtsveld terugbrengen tot het vertrouwde beeld op uw tv-scherm.

Kortom: ga eens mee met de polderwachter als uw gids in het springlevende openluchtmuseum Holland!

Pindakaas

Naast het zeer verantwoorde, biologisch en ecologisch duurzame voedsel wat ik dagelijks tot mij neem, houd ik ook erg veel van pindakaas. Niet alleen veel, maar ook lang. Waar het fruithapje voor veel kindertjes de eerste kennismaking is met ‘vast’ voedsel, kreeg ik als peuter een lik uit de pindakaaspot. (Dit gebeurde niet ver van de plek waar een aantal jaren daarvoor Wim T Schippers aan de andere kant van de dijk een flesje limonade leeg had gegoten in de zee. Als kunstwerk. Maar dat is verder niet relevant). Toen ik op de lagere school zat groeide mijn liefde voor de pindakaaspot. En niet alleen mijn eigen pot, maar ook die van anderen kon op mijn aandacht rekenen. Ik bleef vaak eten bij een vriendje, de zoon van de meester.

Naar het schijnt was pindakaas ook daar mijn favoriete broodbeleg. Dat bleek uit het feit dat ik met Sinterklaas een surprise kreeg (gemaakt door mijn meester) bestaande uit een wasmiddelton die was gesurpriseerd tot enorme pot pindakaas. Op het etiket stond: Bleek’s pindakaas, smeuïg tot op de bodem!
Tijdens mijn studie aan de kunstacademie heb ik ook mijn muzikale carrière gehad. Deze carrière is het best te omschrijven als ‘kort’. Maar hoe kort hij ook was, hij had een hoogtepunt. Dat was ons akoestische optreden in een Haagse tram. Daar brachten wij onze helaas nooit tot hit geworden klassieker: “pindakaas, pindakaas, ik houd toch zo van pindakaas!” ten gehore. De reacties van het publiek kan ik mij niet meer herinneren, wel dat we daarna nog een stevige wandeling hebben gemaakt.
En nu staan er op mijn ontbijttafel drie verschillende merken pindakaas. Iedereen z’n eigen smaak. Die van mij is lekker smeuïg, volgens de rest van de familie heet dat plakkerig. Zij hebben pindakaas met stukjes. Stukjes pinda denken ze, maar ik ben benieuwd wat een grondig onderzoek zal uitwijzen. ‘t Zal mij niets verbazen als het aardappel blijkt te zijn, of linoleum. En dan hebben we ook nog een pot die we ooit gekocht hadden omdat onze vertrouwde merken op waren. Maar die is niet lekker, en wat moet je er dan mee? Ik heb er nog even over gedacht om hem net als oude kauwgom onder de tafel te smeren. Maar ik denk toch dat ik in plaats van voor deze artistieke toch voor de culinaire oplossing kies: ik maak er pindasaus van.
Zoals u ziet speelt dit smakelijke bruine broodbeleg een grote rol in mijn leven. Ik wil niet overdrijven, maar misschien is het wel het fundament onder mijn kunstenaarschap.

De lijm voor mijn gedachten. Ik zal niet zeggen dat er pindakaas door mijn aderen stroomt, maar ik denk dat ik bij de wekelijkse duik in de Loosdrechtse plassen toch zeker profijt heb van de substantiële hoeveelheid vet uit de pindakaaspot. Ik vind het dus niet vreemd dat dit ultieme broodbeleg zelf tot kunstwerk is verheven. Of liever gezegd: tot kunstwerk is belegd. Als u komend weekend niets te doen heeft moet u maar eens gaan kijken in museum Booijmans in Rotterdam. Daar ligt de pindakaasvloer van Wim T Schippers. Dus geef uw ogen en neus de kost, proeven mag niet. Maar dat vind ik niet erg, het is toch mijn merk niet.

Ps. Sommige mensen vinden het zonde van de pindakaas. Maar ik hoorde van de directeur van het museum dat wanneer het publiek op het werk was uitgekeken, de pindakaas aan de vogeltjes wordt gevoerd.

Ik ben benieuwd wanneer die aan de aardappeleters mogen beginnen…

Rode Geus (of iets Wilders)

Ik kom nog wel eens in de natuur. In de Hollandse natuur, geheel en al gemaakt door de mens. Geen natuurlijke natuur dus. Maar daarom niet minder mooi of waardevol. Misschien juist wel mooier en waardevoller dan dat spontane groen wat je nog wel eens over de grens aantreft. In ieder geval is onze natuur machtig interessant. Omdat wij mensen beslissen over wild- en waterstand en over wel of niet of wanneer of hoe te maaien. Niet maaien betekent bos en ik bevind mij als polderwachter (met mijn voorliefde voor gras boven bomen) in goed gezelschap, want bijna alle politieke partijen hadden in hun programma staan dat het landschap ‘open moet blijven’. Dus we maaien, of beter gezegd: we laten maaien; door taakstrafjongeren of door onze boeren. Of door grote grazers: Heckrunderen en Schotse hooglanders. En dat wringt: Schots vee dat ons Hollandse landschap in stand houdt. Ik ben niet van dergelijke politieke signatuur, maar toch zou ik willen zeggen: eigen koe eerst. Onze oude oerrunderen zijn in de 17de eeuw uitgestorven maar de genen leefden door in andere runderrassen. Die hebben wij zo gefokt dat ze uitstekende melk leveren, of biefstuk, maar een beetje survivallen in de natuur zit er niet meer in. Dus wij willen iets wilders. In 1997 zijn Staatsbosbeheer en de organisatie FREE begonnen met het kruizen van Nederlandse Brandrode runderen met de Franse Salers en daaruit groeit nu langzaam een nieuwe ras: de Rode Geus. Stoer, met een wild en woest voorkomen, maar met een lief karakter. Want dat is ook belangrijk: het landschap openen betekent dat wij mensen er ook doorheen moeten kunnen en dan kom je ze wel eens tegen. Dan is het fijn als ze niet zo wild zijn als ze er uitzien. We moeten de schaarse ruimte samen delen dus is een beetje aanpassingsvermogen ook een goede eigenschap in onze Hollandse poldercultuur…

Lente

En u dacht dat de deur van uw auto gewoon het geluid van een autodeur maakt. Mis dus. Het geluid van een autodeur wordt ontworpen door geluidskunstenaars. Een goede autodeur ploft dicht, hoorbaar sluitend, zeker en vast. En dat geluid kan je maken. Met een folietje hier en een rubbertje daar. Een deur is pas een deur als hij het geluid maakt van een deur.
Ik was laatst in de polder met een schoolklas. Ik mocht ze wegwijs maken in de weidevogels. Over wat wij mensen allemaal moeten doen en laten om het de vogels naar de zin te maken: wel mest uitrijden want dat is goed voor de bodemdiertjes, het voedsel van de weidevogels. Maar niet te laat want dan rijd je de nesten stuk. Wel gras maai en want de weidevogels hebb

en graag uitzicht, maar niet te kort want dan kunnen ze zich niet verstoppen en ook weer niet tussen 1 april en half juni als ze op hun nest zitten. En zijn de nestmarkeringen nou handig voor de boeren zodat ze weten waar ze niet moeten maaien, of zijn ze handig voor de kraaien, eksters en ooievaars omdat die dan precies weten waar ze hun eten kunnen vinden?
Toen vroeg een jongetje: “maar waarom doen we dat eigenlijk? Waarom al die moeite voor een vogel die in geen enkel receptenboek voorkomt

? Waarom al dat geld uitgeven als we eigelijk nog steeds niet weten hoe zij hun bedje precies gemaaid willen hebben”? In eerste instantie kwam ik met het zwakke argument dat het onze morele plicht is. 80 Procent van de grutto’s broedt in Nederland, wij moeten dus zorgen voor een mooi opgemaakt bedje in een vijfsterren slaapkamer. Die morele plicht voel ik, en ik denk nog een handvol vogelaars met mij, maar het gros van onze landgenoten zal het een worst zijn waar de grutto broedt. Maar op de fiets naar huis hoorde ik het goede antwoord.

Over de Hollandse kade met de kievitten en grutto’s scherend over mijn hoofd en een voorzichtig lentezonnetje in de rug dacht ik: het is weer lente. Lente is pas lente als de weidevogels het roepen.
Ik help u nog even op weg om dit lentegeluid te duiden. Gelukkig maken de weidevogels het ons erg makkelijk: ze roepen hun eigen naam. Zo is een [kie-wiet-kie-wiet] een kievit, een [tureluur-tureluur-tureluur] een tureluur en roept de scholekster… Nee, niet [scholekster-scholekster], wij noemen hem thuis altijd de bonte piet. Dat roept hij wel, het achterste stukje dan [tepiet-tepiet-tepiet] En dan mis ik er nog een: de grutto. Ik heb het vermoeden dat er daarbij ooit iets is misgegaan. De samensteller van de vogelgids heeft hier even niet op zitten letten. Hij heeft de grutto abusievelijk [grutto-grutto-grutto] laten roepen, maar dat klopt niet. Als u goed luistert zult u horen dat de grutto eigenlijk de to-grut zou moeten heten want hij begint altijd met het roepen van het laatste stukje van zijn naam [to-grut-to-grut] luister maar naar de lente…

Draaien voor de prins

Een tijdje geleden moest ik op zoek naar het verhaal achter een oude poldermolen in Noord Holland. Ik was ter plekke niet bekend dus ik dacht: we doen het op de makkelijke manier, ik plaats gewoon een oproep in de lokale krant met de vraag: wie vertelt mij het verhaal van de grote molen? Het resultaat was welgeteld, of beter gezegd niet geteld: nul reacties. Ik kon mij niet voorstellen dat er niets te vertellen was over de molen, maar er was bij de mensen blijkbaar geen noodzaak om het te vertellen. Dus ik besloot de noodzaak te ensceneren.

Er was recent een rapport geschreven waarin de mensen aangaven dat zij het open landschap rond het dorp bijzonder waardevol vonden.

Dat er alles aan moest worden gedaan om dat zo te houden. Dus ik schreef een stukje dat er nu eindelijk aan deze wens van de bevolking voldaan zou worden en dat de oude molen, die al jaren draait voor de prins, wiens functie allang was overgenomen door een modern gemaal, nu eindelijk zou worden opgeruimd. Leve de leegte, uit zicht met die horizonvervuiling. Ter illustratie had ik een fotomontage gemaakt waarin de molen was weggepoetst. En toen kwamen de reacties!


Hoe haalde ik het in mijn hoofd om zo’n typisch Hollands landschapselement als ‘horizonvervuiling’ te bestempelen? Wist ik dan niet dat het een monument was, dat het de enige molen was die direct op het IJsselmeer maalde, enzovoort… Voilà, daar kwamen de verhalen.
Dus ik schreef de volgende week een nieuw stukje, over de waarde van de molen en dat we hem zouden moeten behouden voor de toekomst. Maar ook dat dat erg veel geld kostte en dat ik daar wel een goeie oplossing voor wist. In de bijgeleverde fotomontage had ik een grote glazen stolp over de molen geplaatst. Zo was het waardevolle monument ten allen tijde beschermd tegen weer en wind!
Toen werd de molenaar boos. Een molen zonder wind is een dooie molen, dus die stolp moest er maar snel weer vanaf. Goed, dacht ik jij wilt wind, dan zal je dat krijgen. Dus ik gaf hem de wind van voren. En van achteren en van opzij. Rondom de molen monteerde ik een tiental windturbines om de oude verhalen nieuw leven in te blazen.
Dus de molen staat er nog, zonder stolp, zonder turbines maar wel weer goed in beeld. Want naast het feit dat de oude poldermolens het verhaal vertellen over hoe wij het landschap hebben gemaakt en over het technische vernuft van onze voorouders horen zij bij het beeld van het Hollandse landschap. Maar dan wel draaiend alstublieft, want hoewel onze molens vaak met blote benen draaien (dat wil zeggen draaien zonder de vijzel aan te zetten) draagt dat draaien wel bij tot het behoud. Stilstaan betekent stukgaan. En dat stilstaan wekt de suggestie dat er ook niet meer hoeft te worden gepompt. De Deltawerken zijn klaar, het land is droog, dus de molens kunnen stilgezet. Maar niets is minder waar. Want nog altijd, nu zelfs nog meer dan vroeger, moeten wij pompen om droge voeten te houden. Alleen verstopt het waterschap zijn pompen in kleine anonieme bakstenen gebouwtjes. Dus ik zou er voor willen pleiten om de molens zo vaak mogelijk te laten draaien zodat iedereen ziet dat er moet worden gewerkt, al dan niet met de broek aan. Een draaiende molen laat zien: in Holland is het pompen of verzuipen…

© Goed idee

Als een vlinder in Amerika met z’n vleugels klapt, kan dat aan andere kant van de wereld een orkaan veroorzaken. Zo kan ook een tweetje van 140 tekens uitgroeien tot een idee van landsbelang. Ziehier het nieuwste polderwachterplan.
Dit plan komt voort uit de nieuwste ontwikkelingen rond de Nieuwe Hollandse Waterlinie. U weet wel, die oude verdedigingslinie waarbij wij het westen van Nederland konden verdedigen door een groot stuk land van Muiden tot de Biesbos onder water te zetten. Jaren lang het geheime wapen van Nederland maar nu een rijksmonument dat met één been op de werelderfgoedlijst staat en dus door iedereen gekend moet worden. Jaren lang lagen de forten verstopt in het landschap en weggepoetst van de landkaarten, maar nu zijn het de hotspots van dit Nationale landschap. Daar moet je zijn.
Er is echter een klein probleempje bij onze hedendaagse navigatiesystemen. Sommige verkeren nog in de ouderwetse veronderstelling dat de waterlinie nog altijd geheim moet blijven. En dat is lastig. Maar ik heb het volgende goeie idee: Ik kreeg een enquete toegestuurd over windturbines in de provincie Utrecht. Of ik voor was of tegen en of ik plekken wist waar ze eventueel geplaatst zouden kunnen worden. Ik ben voor. Het enige tegenargument van horizonvervuiling vind ik als kunstenaar misplaatst. In ons horizontale landschap kan je deze verticale lijntjes juist uitstekend gebruiken om accenten te plaatsen en om grote lijnen aan te geven. Zoals de populieren een kanaal accentueren en de knotwilgen een polderweggetje. Of zoals iedere boerderij in de Noordoostpolder letterlijk wordt bepaald met een eigen turbine, net als de stokjes bij de kievitsnesten in haar weiland. Zo zouden we ook bij ieder fort van de waterlinie een turbine kunnen plaatsen. Als plaatsmarkering, als schone energievoorziening maar ook als ultramodern verdedigingsmiddel!
Want hier komt het mooiste van het hele plan: De enige ‘natuur’ in Nederland die we nog niet onder controle hebben is het weer. En dat is een van de factoren die in onheilspellende toekomstvoorspellingen een grote rol speelt. Dijken kunnen we verhogen, pompen kunnen we opvijzelen, maar de wind kunnen we niet keren. Tot nu. Want hier komt mijn goeie idee: als er zo’n superstorm onze kant op komt, draaien we de turbines naar de wind en laten we ze tegenwind blazen! Op die manier blazen we de storm gewoon de andere kant op (Engeland heeft namelijk bijna geen turbines dus die blazen niet terug). Dus nu het verdedigen met water niet meer werkt, verdedigen we ons gewoon met een harde wind!

Te cope

Duizend jaar geleden konden onze voorouders aankloppen bij de bisschop van Utrecht of een deur verder bij de graven van Holland om een stuk wild woest onland, nat stekelig stinkend moeras (ware ‘natuur’) te kopen. Een zogenaamde cope, u kent ze wel: Nieuwkoop, Hei en boeicop en Oukoop, stuk voor stuk leuke plaatsjes in het groene hart waar je graag zou willen wonen. Net als in Kockengen, een mooie verbastering van het pays de cocagne oftewel Luilekkerland. Want het viel niet altijd mee om mensen te vinden om de zware klus van het ontginnen ter hand te nemen. Daarvoor moest je de waarheid soms wat rooskleuriger schilderen, liefst zonder doornen. Maar met extra calcium en rijk aan vitamine c, chromen wieldoppen en bumpers in carrosseriekleur of nu cope en pas over twee jaar betalen. Dan komen ze wel.
In de afgelopen duizend jaar hebben onze voorouders deze oerhollandse natuur omgevormd tot een aangenaam cultuurlandschap. Zonder vervelende malariamuggen en zonder levensgevaarlijke moerassen, met drooggemaakte binnenmeren en de woeste rivieren in een strak korset.
Maar de afgelopen tijd waren er clubs van onverlaten bezig om op een aantal plekken ‘nieuwe natuur’ te bouwen. Met rivieren die buiten hun oevers mogen treden, een kerf in de eerste duinenrij om de zee toegang te verschaffen tot het achterland en nieuwe trilvenen met daarin de vleesetende zonnedauw. Levensgevaarlijk als u het mij vraagt. En bijzonder aantrekkelijk. Want je ziet er dingen die je nergens anders meer ziet: krabbescheer en zwarte stern, groene glazenmakers en modderkruipers en reigers in alle kleuren.
En er waren mensen die dat maar niets vonden. Waarschijnlijk mensen met een directe verwantschap met de ontginners van lang geleden. Hollanders zijn in den beginne droogmakers. Ontpolderen en vernatten voelt voor hen onhollands, of zo u wilt: tegennatuurlijk. En een van hen trekt nu aan de Haagse touwtjes. Dus moet staatsbosbeheer, een uitvoerende organisatie van de overheid, een groot aantal natuurgebieden in de uitverkoop doen. Te cope zetten.
Jammer, want er waren steeds meer mensen die deze zeldzame stukjes ruig Holland gingen waarderen. Ik ook, want ik houd wel van spannend. En dus ook van de toekomst, want die is ook spannend: wie zullen de ontginners van deze tijd zijn? Zullen zij ook moeten worden gelokt met mooie namen en met zoet lokkende aanbiedingen? Of staan de projectontwikkelaars al op de stoep bij staatssecretaris Bleker? En kunnen we straks golven in de Gagelpolder, ons vermaken in Disneyland Gageldijk of in pretpark petgat. Of wonen we straks in de toren van Gagel?
Ik ben benieuwd…

De ooievaar of niet de ooievaar

Ik ben bijna jarig. ’t Wordt zo’n mijlpaal verjaardag, zo’n leeftijd waarop de existentiële vraagstukken ’s avonds bovenin het wijnglas drijven en na de eerste slok direct de hersens opzoeken. De volgende slokken helpen dan om hierop het antwoord te vinden. Zo heb ik mij gisteravond bezig gehouden met de vraag: waar kom ik vandaan? Sommigen doen er een heel leven over om het antwoord te vinden, maar ik had waarschijnlijk goeie wijn, want in de laatste slok zat het antwoord.
De ooievaar speelt in mijn geval geen rol. Ik ben een kind van de vroege jaren 70 van de vorige eeuw. En toen hadden wij hier in Nederland nagenoeg geen ooievaars meer. Nu zie je ze weer overal in de polder, vrij prominent op hun stokkie, maar in mijn begintijd was dat wel anders. Een ooievaar was toen een zeldzaamheid. Dus dat ik in een luier aan de snavel van een ooievaar ben afgeleverd bij mijn ouders verwijs ik naar het land der fabelen.
Mijn vader zei altijd dat hij mij had gevonden in een boerenkool. Daarin schuilt wel enige waarheid. Nog steeds is boerenkool een van mijn favoriete maaltijden en ook als kind lustte ik er al pap van. Dus het klopt dat mijn vader mij tussen de kolen vandaan heeft geplukt, maar dat was een paar maanden na mijn geboorte toen ik uit mijn wieg was gekropen en mij in het knollenveld had verschanst. In mijn beginne moet er iets anders zijn gebeurd.
Ik heb lang het vermoeden gehad dat mijn ouders daar iets mee te maken hadden. Ik heb ze er diverse ker en naar gevraagd, maar zij deden vaak wat vaag over het hoe en waarom. Vaak kwam dan dat antwoord van de ooievaar uit het land der fabelen. Of mijn vader vergiste zich weer een paar maanden in mijn boerenkooltijd. Toen hij die vergissing inzag heeft hij het nog geprobeerd met een verhaaltje over een jongetje in een houten kissie die uit zee was aangespoeld, maar ik ken mijn klassiekers. Dat was ik niet.
Hier nam ik die laatste slok.
Ik leid een leuk leven. Ik heb een lieve vrouw, twee kinderen (jawel, ook lief), een mooi huisje en een spannend beroep. Het lijkt wel een sprookje. En ik denk dat het dat ook is! U kent vast de boeken over de fantastische meneer vos, over de Grote Vriendelijke Reus en Sjakie en de chocoladefabriek? Fantastische boeken geschreven door Roald Dahl. Met minstens even leuke tekeningen van Quentin Blake. Nu heb ik het vermoeden dat zij, op een mooie avond tijdens een goed glas wijn, mij hebben verzonnen. Net als mijnheer en mevrouw Griezel, Willy Wonka en tante Spons. Quentin Blake en Roald Dahl, Blake en Dahl, Blekendaal! ’t is zo helder als wat.

Inzicht in uw uitzicht

Beet! Ja beste mensen, het is net zo makkelijk als karpervissen in een kweekvijver. U gooit uw hengel uit (u scant de QR-code) en na een paar tellen heeft u beet! In dit geval geen karper, maar een sterk verhaal verteld door Neerlands enige echte polderwachter.

Deze polderwachter is mijn alter ego, mijn wandelende kunstwerk. Hij schildert portretten van de Hollandse polders. Niet met verf op een doek, maar met verhaaltjes in de lucht. Mijn collega landschapschilders doen het als volgt: zij gaan naar buiten, de natuur in met hun ezel en doek. Daar leggen zij hun uitzicht vast in verf op het doek. Het mooie van zo’n schilderij is dat u enige tijd later van hetzelfde uitzicht kunt genieten. Vaak zelfs op een geheel andere plaats en tijd. Zo kunt u nu in het Mauritshuis kijken naar het gezicht op Haarlem geschilderd in 1675 door Jacob van Ruysdael. De kunstenaar heeft tijd en plaats stilgezet, gevangen in een lijstje.
Maar u mist de frisse wind door uw haren, het geluid van de kievit en de geur van vers uitgereden mest. Het plaatje is dus niet helemaal compleet.

En met de moderne technologie kan dat wel. Ik kan mijn schilderijen, mijn verhaaltjes ook stilzetten en in de lucht hangen. En u kunt ze er met uw smartphone uit vissen. Ik heb de plekken gemarkeerd met een zogenaamde QR code. Dus u fietst door de polder, ziet op een bankje of op een damhek een QR code staan, scant deze en het verhaaltje plopt op, compleet met geur, kleur en smaakstoffen.

En dit is meteen een mooie oplossing voor het probleem dat ik als polderwachter niet altijd overal in levende lijve aanwezig kan zijn. Ik zou er voor kunnen kiezen om meer polderwachters in dienst te nemen, en ze te posten op de mooiste plekken in ons landschap, maar dat wil ik niet. Ten eerste zou u dan door de polderwachters de polder niet meer kunnen zien en daarnaast is het heel uniek om de enige te zijn. En met de huidige communicatiemiddelen kan ik mijn schilderijen (tussen aanhalingstekens) gewoon in uw uitzicht hangen zonder daar iets fysieks aan toe te voegen. Geen grote informatieborden die precies voor datgene worden geplaatst wat ze u eigenlijk willen laten zien. Van die borden die na een jaar verkleuren en onleesbaar worden door het vuil en de korstmossen die het bord veroveren. Ook machtig interessant, die korstmossen, maar daarover staat dan weer geen informatie op het informatiebord.

Maar goed, ook ik weet dat het goed is om mensen te informeren over hun uitzicht. Hoe meer je weet, hoe meer je ziet. Dus pak uw fiets, ga op zoek naar de beste QR-visstekjes (u vindt ze op mijn website) dan geef ik u, geheel uit zicht, inzicht in uw uitzicht.

Mijn dijk

Ik ben zo’n beetje 40 jaar geleden geboren aan de voet van de Hondsbossche zeewering. Neerlands mooiste dijk, zeg ik zonder terughoudendheid. Dat komt door het volgende:

Toen ik ter wereld kwam had ik mijn ogen dicht. Schijnbaar vond ik dat wel goed zo, want ik hield ze dicht, stijfdicht. Mijn vader heeft mij toen naar goed Hollands gebruik opgepakt, over zijn schouder gelegd en mij een fikse tik op de billen gegeven. Hij stond met zijn gezicht naar mijn moeder die nog op bed lag en mijn hoofd was dus over zijn schouder naar het raam gekeerd. Door die tik sperde ik mijn mond en ogen wijd open. Mijn eerste kreet was een kreet van verrukking. Voor mij lag de Hondsbossche zeewering, een rechte lijn van vijf kilometer lang. Dat beeld heeft zich in mijn netvlies gebrand. En als er vandaag de dag iets samenvalt met die lijn, ik noem een Hollandse horizon, een dijk of een schilderij van Mondriaan, dan vind ik dat mooi. Omdat het samenvalt met mijn oerbeeld.

Ook in mijn kin derjaren heeft de Hondsbossche mij gevormd, en ik een beetje de dijk. Toen hij in de jaren 80 op deltahoogte werd gebracht, heb ik ook menige vrachtwagen zand verplaatst met mijn speelgoedwagen. Ik heb toen niet met één, maar met al mijn vingers in de dijk gezeten. Daarna diende de dijk als Hollandse berg om vanaf te sleeën, als hoogtepunt voor het verrekijken en als we ‘s middags terug naar huis fietsten van school diende hij windvanger bij een harde noordwester. Ik weet wat je aan een dijk hebt. Geen polder zonder dijken, en ook geen polderwachter zonder dijken.

En nu neem ik mijn gasten regelmatig mee op een wandeling over de Hollandse dijken. Onderweg trakteer ik ze dan op verhalen over jongens met hun vinger in de dijk, over schapenpaadjes als ware kunstwerkjes en over de mogelijke terugkeer van de (water-)wolf. Zo stond ik laatst met mijn gasten op de dijk bij de Diemer vijfhoek. Als je daar bovenop staat heb je aan de ene kant land en aan de andere kant… ook land! Een zinloze dijk dus. Die kan wel opgeruimd, kan je mooi op die plek een weg aanleggen. Ja precies: de Dijkweg. Of niet? Nee, zeiden de kinderen in de groep, want deze dijk is al oud en hij is mooi. Daarmee hadden ze mij al overtuigd: opruimen was een slecht plan, hij mag blijven. Natuurlijk ook omdat we hem nog altijd nodig hebb en als tweede, derde of vierde waterkering en als uitkijkpunt over de polders, maar goed ik was al overtuigd.

Op de terugweg hoorde ik dat ik in mijn opzet was geslaagd. Met het opscheppen over ‘mijn dijk’ had ik de tongen losgemaakt en laaide de discussie op over wat dan de mooiste dijk zou zijn. Met de sterkste verhalen als argument om de andere gasten te overtuigen. Precies zoals het hoort: schep een beetje op, overdrijf wat en leen hier en daar een anekdote. Maak van mijn verhaal ons verhaal. Maak van mijn dijk onze dijk.

geen© Polderwachter Marcel Blekendaal