Vreemde vogels

De Kwak kan er ook niks aan doen. Dat ‘ie Kwak genoemd wordt bedoel ik. Hij roept het niet, hij doet het niet en hij lijkt in de verste verten niet op een eend of een kikker.

En ik kan het weten, want ik heb hem gezien. Deze zomer aan de plas bij onze camping in de Noordoostpolder. Het was een juveniel, een kwakje dus. En aangezien de kwak een schemer-jager is, hebben wij een paar avonden met een aantal mannen met kijkers naar het kwakje staan kijken. Dat is vreemd, althans volgens een aantal mede-kampeerders, want ook zij kwamen ‘s avonds vreemde vogels kijken. Zonder kijker, met klapstoel en een kop koffie keken zij naar de opgewonden mannen aan de rand van de plas. Er zijn er voor minder opgepakt.

En ik moet u zeggen: dit was niet de eerste keer dat mij zoiets is overkomen. Sinds ik mij bij tijd en wijle met natuurvorsers naar buiten begeef, bevind ik mij met eninge regelmaat in dit soort situaties. Vorig jaar lag ik tussen de vogelaars aan de rand van een weiland in de Bethunepolder te kijken naar de kwartelkoning. Althans: het beestje zelf zag je niet, slechts enkelen hebben hem gehoord, maar het was een excursie waard om een rondje langs de spotters te doen met hun Nikkon Nikkors (‘misschien spotten we de zeldzame AF-S 80-400’), de Canon EF’s en de Sigma AF-fen. Ziet u het voor u? En kan ik mij ook nog goed de schemerige avonden herinneren waarop wij met de vleermuiswerkgroep door de Maarssense nieuwbouwwijken trokken op zoek naar broedkolonies. Een groepje mannen die in het donker opgewonden met piepende kastjes naar slaapkamerramen staan te gluren. Met de rug tegen het bordje: Attentie Buurtpreventie!

En zoals iedere man heb ik natuurlijk ook wel eens tegen een boom geplast. Dit behoort immers tot een van de OER dingen die je eens in je leven moet hebben gedaan. Sommige plassen, andere praten en er zijn zelfs mensen die uren met hun neus tegen een boom gedrukt staan. Heb ik dus ook gedaan tijdens de excursie kostmossen. Tot ik door een agent op mijn schouder werd getikt met de vraag of ik tegen de boom stond te plassen. “Nee agent, ik bestudeer hier de korstmossen”. De boete voor het voor de gek houden van een ambtenaar in functie bleek hoger dan die voor wild-plassen.

Kortom: wees u bewust dat u soms vreemder bent dan de vogel in uw kijker. En dan maar hopen dat het natuurgidsenpasje van het IVN oom agent overtuigt van uw groene bedoelingen.

Het gat

Ik heb tijdens mijn natuurgidsencursus goed opgelet en ik kan mij nog goed herinneren dat een van de docenten zei: “Je moet niet iets vertellen over iets wat er niet is”. Een wijze les die ik goed in mijn oren heb geknoopt. Dit betekent dus dat je geen verhaal moet vertellen over een mooie bloem die nog niet bloeit of over de schitterende zang van een vogel die je gisteren hoorde fluiten. Dus als ik bij een muskusrattenbouw (het holenstelsel van de rat) een verhaal over muskusratten vertel, doe ik eigenlijk iets wat niet mag. Eigenlijk zou ik niet iets over de rat moeten vertellen want die zie je niet, maar het verhaal zou moeten gaan over dat wat er wel is: het gat.

En dan is de vraag: wat is een gat? Een gat is niet niets. Als een ijsvogel geen holte in een steile wand heeft gemaakt is het gewoon een steile wand. En niet een steile wand zonder gat. Pas als het ijsvogeltje zijn werk heeft gedaan zie je het gat. Dan zie je niet niets. Je ziet het ontbreken van grond: je ziet een gat. Dus een gat is iets. En dat is grappig, want als een gat een ding is, bestaan er dan ook halve gaten of is elk gat een heel gat? Kan je een gat verplaatsen? Stel: ik vind een boomstam met een gat er in en ik wil dat gat mee naar huis nemen, hoe doe ik dat? Ik kan de boomstam oppakken en meenemen, maar dan neem ik eigenlijk het omhulsel van het gat mee. Kan ik het gat niet in een doosje duwen en dan een dekseltje er op doen? Dan heb ik een doosje met een gat er in. Maar als er dan een gat in het doosje komt, kan mijn gat er dan uitvallen? En hoe vind ik mijn gat dan weer terug?

Misschien moet u dit stukje een paar keer lezen om er een gat in te zien. En mocht u de smaak te pakken hebben dan raad ik u aan om het boekje ‘over gaten en andere dingen die er niet zijn’ eens op te zoeken in de lokale boekhandel. Daarin leest u ook dat er vier soorten gaten zijn: een deuk (als je met je vinger een klein stukje in de klei drukt), een holte (als je je hele vinger er in drukt), een gang (als je er aan de andere kant weer uit komt) en een intern gat (een luchtbel in een homp klei). Maar wat gebeurt er als je die homp klei met die luchtbel in tweeën snijdt? Heb je dan twee halve gaten?

U ziet: zo kan je dus toch een aardig gesprek hebben over iets wat er niet is…Hole-in-Paper-3-psd50497

De wacht is mooier dan de vangst

Ik wacht nu al tien jaar en ik heb het wachten tot een vorm van kunst gemaakt. Ik beheers de techniek van het goede wachten. Iets dat in de eerste plaats ligt aan het kiezen van het juiste voorzetsel. Als je ergens óp wacht kan dat inderdaad vervelend worden, maar ik wacht ergens ín. En dat is, mits je het op de goeie plek en de juiste manier doet, erg inspirerend.

Een ware wachter doet eigenlijk niets. Een ware wachter wacht. Zijn aanwezigheid is zijn functie. Ik wacht dus ik ben. Neem Rembrandts Nachtwacht, of de veldwachter van vroeger. Lekker een beetje lopen wachten in het dorp. Zo nu en dan de jeugd een standje geven wanneer zij van de brug in het water spuugden en het hondje van de slager terug naar huis brengen wanneer hij achter het hondje van de bakker aan was gegaan. En verder was het wachten in het zonnetje. Maar veldwachters hebben we niet meer. Net zo min als nacht- en brugwachters. Goed, er zit nog iemand in het hokje bij de brug in het dorp, maar dat is niet zoals het hoort. Een brugwachter hoort bij de brug te staan en je op je valie te geven wanneer je nog net onder de slagboom door probeert te schieten als het licht al op rood staat. Een echte brugwachter zit niet in een hokje op een beeldscherm te turen. Da’s een virtuele brugwachter, nep dus.

We hebben nog wel wachters, alleen heten die niet zo. Vogelaars zijn bijvoorbeeld goede wachters: uren zitten wachten tot zo’n klein bruin vogeltje voor je kijker verschijnt. En dan? Gezien, gevinkt en de vogelaar is voldaan. En vissers zijn ook goede wachters. Ik kan mij namelijk niet voorstellen dat het ze werkelijk gaat om het vangen van een vis. Die haal je hier op de hoek van de straat, klaargemaakt met uitjes en zuur. Waarom zou je daar al die moeite voor doen? Nee, het gaat de ware visser om het zitten aan de waterkant waarbij de vangst van een vis als hinderlijke onderbreking mag worden gezien. Ik zou zeggen: doe geen haakje meer aan de lijn, dan kun je als visser, als walkantwachter je geluk niet op (om maar niet te spreken van de vis).

En wat doet de ware wachter tijdens de wacht? “Niets”, zeg ik dan, maar dat is niet helemaal waar. Want tijdens het wachten worden de gedachten geordend, problemen opgelost en nieuwe plannen geboren. En zo blijkt wachten dus een zeer effectieve tijdsbesteding. Dat zouden meer mensen moeten doen.

Ik wacht nog even.

Ouwe koe

U kent ‘m wel: de volkswijsheid ‘je moet geen ouwe koeien uit de sloot halen’. Maar als u een koe in de sloot ziet, weet u dan of u te maken heeft met een jong of een oud exemplaar? De meeste koeien die in de sloot belanden zijn de jonge beesten die in het voorjaar weer naar buiten mogen en zich niet laten remmen door schrikdraadjes, hekken of sloten. Vaak komen die er zelf weer uit, en als dat niet lukt dan rukt de brandweer uit om de boer te helpen. Want een jonge koe heeft nog een heel (productief) leven voor zich, die moet je niet laten zwemmen. Jonge koeien moet je wel uit de sloot halen.

Laatst hoorde ik het verhaal van een bio-boer die uit liefde een oude koe op zijn land had lopen. De koe had jaren dienst gedaan als melkleverancier, was geadopteerd door adoptie(h)ouders uit de stad en mocht haar laatste jaren gewoon op de boerderij slijten. Tot de dood er op volgde. En dat is ondertussen gebeurd: ze is gestorven op het land. Mooi, en zielig. Want de volgende dag stond de inspectie op de stoep met de vraag of de boer de koe had verwaarloosd. En dat is een lastige. Nee denk ik, want de koe had een eigen stukje land, kreeg iedere dag te eten en twee dagen voor het einde was de dokter nog bij haar geweest om haar te onderzoeken. Die had overigens wel gezegd dat ze beter een spuitje kon krijgen. Waarop de boer vroeg of dat was omdat ze pijn had, maar dat bleek niet het geval. Ze was gewoon erg oud. Nou moet je geen menselijke emoties op een koe projecteren of omgekeerd, maar het is een aardig experiment om te bedenken hoe wij zouden handelen bij een oud mens. Die zijn ook niet meer productief en zien er vaak ook niet erg aantrekkelijk meer uit, soms ronduit verwaarloosd. Maar om daar dan ook een spuit in te zetten, ik durf het bijna niet eens op te schrijven…

Wij zijn met onze oudjes aardig op weg om ze uit het straatbeeld te verwijderen door ze in bejaardenhuizen te stoppen en te zorgen dat er zo weinig personeel is dat ze niet meer buiten komen. En ook in onze gebouwde omgeving wordt alles wat maar een beetje riekt naar ouderdom overgeschilderd, rechtgetrokken of afgebroken en nieuw gebouwd. Opgeruimd staat netjes. En toch vind ik dat je best wat vaker oude dingen mag tegenkomen, van hangouderen op een bankje tot ruïneuze gebouwen in het landschap. Want het zou toch mooi zijn als je voor oude dingen niet meer speciaal naar het museum of het bejaardenhuis moet, maar dat je het ook gewoon op straat, in het wild kan tegenkomen? Al is het niet voor de schoonheid, dan wel ter contemplatie: memento mori…

Kortom: ik pleit er voor om vaker ouwe koeien uit de sloot halen.

De waarheid

Jawel, ik ga mij er aan wagen: aan de waarheid. Want het zit mij niet lekker. Aan het eind van mijn wandelingen zijn er wel eens mensen die twijfelen aan het waarheidsgehalte van mijn verhaaltjes. En dat is niet leuk. Voor mij. Een gids van de historische kring of het IVN wordt vaak op zijn blauwe ogen vertrouwd, en hoewel ik de blauwste ogen heb van allemaal, heb ik toch vaak wat meer moeite om mijn gasten te overtuigen. Dat zit mij niet lekker. Als ik terugfiets naar huis en ik weet dat mensen zeggen: “Hij kan leuk praten, die polderwachter, maar wat hij zegt moet je maar met een korreltje zout nemen”, dan voelt dat toch als een teleurstelling. Een vorm van pijnlijk onbegrip. Want ik bedoel het niet verkeerd.

Dus sinds kort sluit ik mijn wandelingen af met een klein experiment. Ik laat twee door mij gekozen vrijwilligers tegenover elkaar gaan staan. Met net genoeg ruimte tussen hen in om doorheen te lopen. Ik vraag ze goed te kijken naar de komende gebeurtenis, waarna ik met een paar ferme stappen door het poortje loop. Dat was het. Daarna vraag ik ze om een kort en bondig antwoord. Om zonder poespas, zonder verdere uitweiding gewoon de waarheid te vertellen. Ik vraag ze dan: “Van welke kant kwam de passant, van links of van rechts?” En dan zie je de worsteling om inderdaad gewoon te zeggen waar het op staat. Het valt niet mee, want zonder bijzinnen krijg je twee volkomen tegenstrijdige ‘waarheden’. De een zegt van links, de ander van rechts. Terwijl hier natuurlijk de waarheid door het midden liep. De waarheid, de hele waarheid en niets dan de waarheid is te groot, die behoeft veel te veel bijzinnen. Bij een goed verhaal kiest de verteller een, soms best triviaal standpunt.

Zo ben ik laatst over een slootje gesprongen. Gevolgd door een aantal gasten. Ik heb ze verteld dat ze, om het verhaal wat sappiger te maken best wat mogen overdrijven. Tot ik hoorde dat zij vertelden dat ze over een sloot waren gesprongen van dertien meter. Dat was natuurlijk niet de bedoeling, want op de foto was duidelijk te zien dat die sloot veel langer was dan dertien meter. Hij was minstens vijftig meter. Ik heb ze dus verteld dat ze, zonder de waarheid geweld aan te doen, best mogen zeggen dat ze over een sloot van vijftig meter zijn gesprongen.

In de breedte welteverstaan, maar een goed verteller weet ook wanneer hij zijn verhaal moet eindigen…

 

[dit verhaaltje verschijnt in het herfstnummer 2012 van de BRES, het blaadje van het IVN Vechtplassen)

Eikenprocessierups

Er zat een meesje in mijn tuin. “Kijk, een koolmeesje”, zei mijn zoon. Voor hem is een meesje niet zomaar een mees. Hij kent het verschil tussen een kool- (die met zo’n zwart petje op hun kop), een pimpel- (met een blauw petje), een staart- (met een hele lange staart) en opa Mees (zilverkleurig kopje en niet vliegend). Is mijn zoon daarmee rijker dan een kind dat niet meer ziet dan een vogeltje?

Ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat dit het probleem van de biodiversiteit is. Eigenlijk is biodiversiteit geen probleem maar een verschijnsel: hoe meer soorten, hoe groter de biodiversiteit. Maar het probleem van de biodiversiteit is dat veel mensen de verschillende soorten niet meer van elkaar kunnen onderscheiden.

Daar kan je op twee manieren wat aan doen. De eerste door middel van educatie: groencursussen en ontdekkisten. Maar daarvoor is een zekere hoeveelheid nieuwsgierigheid nodig. En hoe bereik je die grote groep mensen die een stuk minder de behoefte voelen om er op uit te trekken, de paden op, de lanen in. Op zoek naar de wielewaal? Daar hebben we iets nieuws op verzonnen.

We zijn begonnen om de mensen een aantal verschillende boomsoorten te leren kennen. Te beginnen bij de eik. En dan vertellen we niet over de eikeltjes in het najaar of de zeer herkenbare bladvorm (daar is overigens ook nog een mooi verhaal over te vertellen. Over hoe ooit de afspraak werd gemaakt dat bomen hun blad zouden laten vallen na de zomer en hoe de eik zich niet aan deze afspraak hield en daarna de mensen kwamen om de bladeren van de bomen te trekken. Nog immer te zien aan de hapjes die uit de bladeren zijn genomen) Maar dit verhaal hoort bij de nieuwsgierige aanpak.

Nee, wij hebben een aantal eiken voorzien van een rood-wit geblokt lint met daarop de waarschuwing: pas op, eikenprocessierups. Angst, dat is de nieuwe reclamestrategie. Dus als u een boom ziet met zo’n lint, dan weet u: dit is een eik.

 

Voor de nieuwsgierigen, dit zijn de verschijnselen:

De eikenprocessierups heeft honderdduizenden tot een miljoen brandharen van 0,2 tot 0,3 millimeter lang. Het zijn pijlvormige haartjes, die bij bedreiging worden afgeschoten. De haren kunnen dan in de huid, de ogen en de luchtwegen komen. De stoffen die van de haren afkomen kunnen een op allergie lijkende huiduitslag zwellingen, rode ogen en jeuk veroorzaken. In de meeste gevallen verdwijnen de klachten vanzelf. Niet alle personen zijn gevoelig voor de brandharen. In zeer zeldzame gevallen kunnen andere verschijnselen ontstaan, namelijk braken, duizeligheid en koorts.

Gerrit

[verhaaltje bij de opening van het jaar van de buitenplaats, 31 maart 2012]

Ik heb slechte herinneringen aan 1874: het jaar van de binnenplaats. Jonge jonge, wat een duf jaar was dat! Ze hadden wel leuke dingen georganiseerd, maar alles vond, u raad het al: binnen plaats. Veel mensen op een kleine ruimte, daar word je niet vrolijk van. En voornamelijk de goed geparfumeerde binnenplaatsbewoners gaven met hun onwelriekende aanwezigheid het woord ‘rijke stinkerd’ weer een nieuwe impuls. 1874 was een goed jaar voor de psychologen want als je ergens goed depressief van wordt is het wel van een jaar lang indoor-activiteiten.

Maar goed, ik mag hier als relatief buitenstaander een verhaaltje vertellen over de buitenplaats. En dat valt niet mee. U weet namelijk alles al, zeker gezien de Klokhuis-aflevering van afgelopen donderdag, dus met nieuwe feitjes hoef ik niet aan te komen. En zomaar iets uit mijn duim zuigen, dat zou ik met de dag van morgen in ‘t verschiet niet durven.

Daar komt nog bij dat ik het een beetje was vergeten. Dit verhaaltje van vandaag. Met dat lekkere weer van de afgelopen tijd vonden mijn werkzaamheden voornamelijk buiten plaats en is het schrijven van dit verhaaltje er volledig bij ingeschoten.

Dus ik heb gisteren mijn licht opgestoken bij een kenner. Iemand die de ins en outs van de buitenplaats kent, iemand die weet waar hij het over heeft. Gelukkig mag ik hier zijn verhaal vertellen. Hij wil overigens wel graag anoniem blijven, dus Gerrit is fictief.

Gerrit zat vroeger in de Amsterdamse jassenhandel. Tot er op een dag een boer naast hem kwam wonen die het plan had opgevat om de mensen in de stad te laten zien waar hun eten vandaan kwam. Nu had die boer naast een gevuld kippenhok, twee koeien en een varken ook de bijbehorende stankcirkel meegenomen. En dat werd Gerrit te veel. Hij besloot zijn jassenhandel te verkopen en zijn geluk stroomopwaarts te zoeken. En zo kwam hij hier in de Vechtstreek terecht.

Door de verkoop van zijn handel was Gerrit redelijk gefortuneerd dus hij kon zich wel wat veroorloven. En zijn oog was gevallen op een mooie buitenplaats met een zeer fraaie tuin in de Engelse landschapsstijl met van die kronkelende paadjes, waterpartijen en romantische natuur. Gerrit liet zich rondleiden door de makelaar en hij werd steeds enthousiaster over het huis. Tot hij uit het raam keek. Aan de overkant van de Vecht zag hij een oud boerderijtje waarvan de eigenaar onlangs naar de stad was vertrokken. Het land was naar de buurboer gegaan en het boerderijtje stond te koop. Gerrit had een blauwe maandag filosofie gestudeerd en zo nu en dan uitte zich dat in een helder moment. Gerrit besloot de boerderij te kopen, want (hier komt ‘ie) je kan beter tegenover het mooiste huis wonen dan er in.

Dus Gerrit kocht de boerderij, zette zijn beste stoel midden in de kamer zodat hij prachtig zicht had door het grote raam op de buitenplaats. Genieten.

Na een paar weken hoorde hij dat ook de buitenplaats was verkocht en dat de nieuwe eigenaar van plan was om het een en ander aan het pand te verspijkeren. Geheel in lijn met de historie: het pand was door de eeuwen heen voortdurend aangepast aan de wensen van de tijd. Maar Gerrit schrok zich rot: daar ging zijn vertrouwde uitzicht! Dus hij plakte een pamflet achter zijn raam met de tekst: ‘ontwikkelen doe je in een doka’ en het werkte: er kwam geen toestemming voor de bouwplannen. De overbuurman met de snode plannen zocht zijn heil elders en deed het hek achter zich op slot. Mooi dacht Gerrit, nu blijft alles ten minste zoals het is! En hij genoot verder.

De volgende dag zag Gerrit een klein spinnetje in de bovenhoek van de buitenplaats. Dat moet ik nog even melden: hij had stiekum op zijn bovenverdieping een verrekijker geinstalleerd waarmee hij de buitenplaats wat beter kon bestuderen, puur uit interesse natuurlijk. Dat spinnetje maakte een mooi web, ving wat vliegjes en legde een berg eitjes. En u weet: natuur is leuk, maar wel binnen de perken. Natuur heeft namelijk de sterke neiging om zichzelf te ontwikkelen. En daarbij houdt ze zich helaas niet aan de door ons gestelde kaders en schoonheidseisen zoals omschreven in de Vechtse Paradijzen. Echte natuur prikt, jeukt en stinkt en heeft maar een doel: de mens actief houden met schoffel, schaar en mollenklem. Maar die mens was er even niet, dus de natuur ging alle perken te buiten.

Het uitzicht van Gerrit veranderde in een wildernis. Dus hij liet het raam met het uitzicht op de overwoekerde buitenplaats dichtmetselen en op de blinde muur liet hij een bevriend schilder een mooi schilderij maken van de buitenplaats. Zoals die vroeger was en natuurlijk hier en daar met de vrijheid van de kunstenaar wat verfraaid. Van dit uitzicht wist hij zeker: dit zou blijven zoals het was. Gerrit kon weer genieten.

Maar na een paar weken kende hij het hele schilderij van buiten en begon het hem te vervelen. Een blaadje is immers geen blaadje als hij niet af en toe wordt bewogen door de wind, een vijver is geen vijver als er niet af en toe een kikker in springt en een vogel is geen vogel als hij niet af en toe twittert. Kortom: een buiten is geen buiten als hij binnen hangt. (tweede filosofisch moment).

Gerrit besloot zijn verhaal te veranderen. Wat als hij in plaats van tegen de ‘ontwikkelingen’ van de nieuwe eigenaar, nou eens vóór was geweest?

Dus hij hoorde van de eigenaar van de buitenplaats dat die van plan was om het een en ander aan het pand te verspijkeren. Geheel in lijn met de historie: het pand was door de eeuwen heen voortdurend aangepast aan de wensen van de tijd. Ja, dacht Gerrit, laat ik eens bij die man langs gaan om te praten. Want hij wilde de buitenplaats toch al langer van dichterbij bekijken. Hij had overwogen om een verrekijker aan te schaffen om het een en ander stiekum in de gaten te houden, maar dat was not done. Hij kon er natuurlijk ook gewoon even naar toe gaan. Dus Gerrit stapte in zijn bootje en roeide naar de overkant.

De nieuwe eigenaar vertelde Gerrit over het pan om het buiten te gaan verhuren als unieke trouwlokatie. “Maar”, vroeg Gerrit, “wat is er dan zo uniek?” Zijn niet alle buitens gewoon grote huizen met grote tuinen waarvan er toevallig een hele rits aan de Vecht ligt? Vroeger kon je nog de blits maken met een ananasplant, een pauw of een giraffe, maar waarmee kan je de hedendaagse mens nog verrassen? Waarmee ben je vandaag de dag nog uniek?

Toen kreeg Gerrit het helderste moment van zijn leven: een uitzicht is mooi om naar te kijken, maar het is natuurlijk nog mooier om er in te wonen. En Gerrit solliciteerde als tuinkluizenaar.

Samen met de eigenaar heeft hij de vijver uitgediept, de grond hebben ze op een hoop gegooid en in die hoop maakten ze een grot. Gerrit slijt daar nu zijn leven als tuinkluizenaar. Stinkend als een beer, één met de natuur. Natuur die door Gerrit binnen de perken wordt gehouden. Af en toe snoeit hij een struik, knalt hij een kraai uit de boom of rijgt hij een verdwaalde muskusrat aan het spit. Leuk, lekker en uniek! En voor een paar eurootjes is Gerrit best bereid om contrast te bieden in de trouwreportage. Mooi: zo’n bruidje in een witte jurk met een nieuwe Neanderthaler op de achtergrond. Reken maar dat u er indruk mee zult maken op uw gasten!

Beste mensen, dit verhaal is van A tot Z verzonnen. Niet door Gerrit, maar door mij. Ik verzin wel vaker een beroep. Een aantal jaren geleden was dat een man met een polsstok op klompen die sterke verhalen vertelt in de polder. En het leuke van dat hersenspinsel is dat u hem regelmatig voorbij kunt zien fietsen. En mocht het ooit zover komen dat ik mijn polsstok aan de wilgen hang, dan overweeg ik sterk om in Gerrits klompen te gaan staan…

Horizonvervuiling

Dit stukje verscheen in het IVN-tijdschrift de Bres, maart 2012

IVN’ers zijn mensen die verder kijken dan hun neus lang is. Letterlijk en figuurlijk want een beetje IVN’er gebruikt niet alleen zijn ogen, maar ook zijn hersenen bij het ‘zien’ van dingen. Dat is mooi, maar toch zou ik willen dat u wat kortzichtiger werd. Ik leg het uit.

Laat ik beginnen met windturbines. Standaard wordt in de zin na het woord ‘windturbine’ het woord ‘landschapsvervuiling’ genoemd. Dat heb ik nu ook gedaan, alleen heb ik het woordje ‘is’ er opzettelijk tussenuit gelaten. Want ik weet dat nog zo net niet. Of een windturbine per definitie de horizon vervuilt.

Toen een paar honderd jaar geleden onze grote binnenmeren uit veiligheidsoverwegingen moesten worden drooggemaakt en ons typisch Hollandse landschap werd volgebouwd met nieuwerwetse windmolens was er ook een grote groep verontruste burgers die zich teweer stelden tegen deze industrialisatie van ons landschap. Oerlelijk vonden ze de achtkantige binnenkruiers. Maar het moest, anders kregen we natte voeten, dus de molens kwamen er. En ik heb het vermoeden dat de nazaten van deze Don Quichottes avant la lettre tegenwoordig de bestuursleden van de molenstichtingen zijn…

Dus nu er plannen worden gemaakt om windturbines in ons typisch Hollandse landschap te plaatsen, niet uit veiligheidsoverweging maar omdat wij zo langzamerhand aan het eind de fossiele brandstoffen zijn gekomen, steekt het Don Quichotte-gen de kop weer op om de strijd aan te binden. Met als voornaamste wapen het woord ‘horizonvervuiling’. Dat zou betekenen dat de horizon zonder turbines onvervuild en schoon is.

Ik kom uit Noord-Holland, van de kust, dus ik weet hoe horizontaal een horizon kan zijn in onvervuilde staat. En zo schoon vind je ze hier nergens in het midden van het land. De horizon wordt hier altijd vertroebeld door bomen, bossen en bebouwing. Dus ik vraag mijzelf af of een rij windturbines langs het Amsterdam-Rijnkanaal het beeld nog verder zal ‘vervuilen’? Ik denk het niet. Ik denk dat een aantal van deze verticale accenten het beeld zelfs kan verfraaien!

De conclusie van deze column is dat mensen de mooie dingen aan de einder als horizonvervuiling bestempelen terwijl ze de lelijke dingen vlak voor hun neus niet meer zien. Of niet meer willen zien.

Ik zag laatst een foto van de straat waarin ik woon. Een eeuw geleden genomen: typisch Hollandse bakstenen huisjes met rode daken en hier en daar een boompje.Zonder auto’s. Als ik nu uit mijn raam kijk, staat die mooie straat vol met lelijk blik. Straatvervuiling, zeg ik dan met mijn kortzichtige blik. Ik pleit er voor om voortaan bij elke advertentie voor een nieuwe auto standaard de tekst te vermelden: KAN HET STRAATBEELD ERNSTIG VERVUILEN

De krijger

De polderwachter is een wandelend kunstwerk. En ik ben de maker, bedenker en financieel adviseur. Het is eigelijk een uit de hand gelopen hobby, ik doe het al jaren zonder subsidie, ik verdien gewoon mijn geld. Maar ik stop er mee, met geld verdienen. Het is per slot van rekening een linkse, groene hobby en dat is in het huidige politieke klimaat not done. Kunst is onzin. Cultuur is leuk, zolang het laagdrempelig en niet in gewikkeld is, kortom: cultuur met een kleine k. Met de spelling nemen we het ook niet meer zo nou.
Dus wij, kunstenaars, hebben het zwaar deze dagen. En ik, als buiten kunstenaar heb het dubbel zwaar. Ik heb last van twee klimaatveranderingen. Maar u weet hoe dat gaat: zet een kunstenaar in de kou op zwart zaad en hij krijgt goeie ideeën.
Zo stuitte ik op de ‘geefwet’. Een nieuw initiatief van onze huidige regering om te stimuleren dat de gewone man geld gaat investeren in de kunst. In plaats van al die overheidssubsidies. Maar als er een geefwet komt, dan moeten er ook krijgers zijn. En laat ik daar nou een mooie rol voor de polderwachter zien liggen! Ik heb mij immers al vaker voorgedaan als Hollandse indiaan, als polderkrijger.
Dus ik ga voor het private geld. Ouderwets volgens middeleeuwse mentaliteit op zoek naar een mecenas. Gewoon iemand die mij een zak met geld geeft om er wat leuks mee te doen. Nee, dat zeg ik verkeerd, om er iets van kultureel belang mee te doen. Te laten zien hoe wij, Hollanders ons land gemaakt hebben. Dat wij, Hollanders voorop lopen als het gaat om waterbeheersing. Dat wij, Hollanders ware landschapskunstenaars zijn. Dat wij, Hollanders een ware traditie hebben in het innovatief ingrijpen in onze omgeving. Hoe wij onze natuur hebben getemd tot landschap.
Ik ben niet de eerste, ik neem Jan van Scorel als grote voorbeeld. Jan was ook een kunstenaar, een alleskunner. Naast schilder was hij bijvoorbeeld ook de uitvinder van een baggermachine om de Vecht uit te baggeren. En polderaar. Hij was degene die het plan maakte om de Zijpepolder (de polder waar ik ben geboren) droog te maken. Met rechts geld van investeerders uit Antwerpen.
Investeerders kunnen zich melden op polderwachter@gmail.com

Rotbeest

Ik kreeg vorige week via de twitter een mooi natuurfilmpje toegestuurd. Op een zandbank zat een zeearend. Naast hem kwam een vrij hulpeloze grauwe gans (u weet wel: zo’n vogel waarvan er volgens sommigen veelsteveel in de polder zitten) uit het water gestrompeld. Het tafereel werd gefilmd door een meneer met een, naar ik gok, kleine camera aan zijn oog. Het beeld bewoog nogal en zijn commentaar en dat van zijn vrouw was goed te verstaan. “Oh nee, daar komt er nog een!”, zei zijn vrouw. En jawel, van rechtsboven dook nog een zeearend in beeld, bovenop de hulpeloze gans. Hij greep het dier in de rug en trok hem op de zandbank. Opeens was de gans, in de polder niet de kleinste vogel, een nietig diertje onder de enorme arend. Zo te zien had de arend wel trek, maar geen honger. Hij zat op zijn prooi, keek wat in het rond en trok af en toe een goeie hap wilde gans onder zich vandaan. Lekker vers, want de gans leefde nog. Vrij lang. “Jee”, zei de commentaarstem, “ik dacht dat ze dat arme dier eerst wel dood zouden maken. Dit is toch wel heel zielig. Tja, het is de natuur hè? En die zit vol rot-beesten, rot-planten en rot-skevers. Oh nee, hier zet ik mijn streepje verkeerd, het zijn rots-kevers en die zijn leuk. Naast veel geliefde diersoorten kent Moeder Natuur namelijk hele horden rotbeesten. Kriebeldiertjes, stoeppoepers, vogeldoders, steekbeesten, lawaaimakers, gazonmollers en rovers. Mijn vrienden van de Vroege Vogels organiseren deze dagen een verkiezing van het rottigste rotbeest. En ik wil wel meedoen, maar ik weet niet welke ik moet kiezen. Ratten, aalscholvers en reigers vind ik te leuk om bovenaan te zetten. De mug, hier in deze contreien vaak waargenomen in knut-vorm, kan hoog scoren. Maar eigenlijk heb ik niet veel last van ze, ik hoor wel eens dat ze heel vervelend zijn, maar ik wil niet stemmen naar wat ik heb horen zeggen. Waar ik wel last van heb is van de hondenstront onder de schoenen en aan de kleren van mijn kinderen. Maar om daar nou de hond de schuld van te geven vind ik ook weer te kort door de bocht. Het zijn de baasjes die er schijt aan hebben. Blijkt uiteindelijk toch weer de mens de ware stoeppoeper te zijn, de vogeldoder, lawaaimaker en rover. Maar het rottigste rotbeest heeft zichzelf niet op de verkiezingslijst gezet. Rotstreek!